Video Determinatie

Rode ogentroost - Odontites vernus s. serotinus

In de zomer en nazomer staat met licht rode tot rode bloemen die op lipbloemen lijken de Rode ogentroost, Odontites vernus, te bloeien. De planten kunnen hele stroken vormen. Ze vallen verder op door hun bossige structuur en, terwijl het eenjarige kruiden zijn, met verhoutende onderste delen van de stengel. De helmknoppen steken enigszins onder de bovenlip uit en hebben een typische okerkleurige vorm.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Rode ogentroost, Odontites vernus subsp. serotinus (Syme) Corb., uit de Bremraapfamilie, wordt in sommige flora's ook wel Late ogentroost genoemd.

De planten kenmerken zich door een bossige structuur waarbij opvalt dat de zijtakken die aan de hoofdstengel staan vrijwel onder een rechte hoek uittreden en dan een ruime bocht naar boven maken. Naarmate de eenjarige planten in de loop van het jaar wat ouder worden verhout het onderste deel van de stengel en de zijtakken. De kleur wordt dan grijzig. De planten krijgen daardoor een struikachtig karakter, maar ze sterven aan het eind van de eenjarige levenscyclus in hun geheel af.

De kleine bladeren zijn lijnlancetvormig en hebben een grof gezaagde rand. Ze zijn tot zo'n 2 cm lang en minder dan een cm breed. Ze staan tegenover elkaar aan de stengels en zijtakken. De schutbladeren die onder elke bloem staan hebben eenzelfde vorm als de gewone bladeren.

De bloemen zijn tweelippig en lijken daarmee op die van de Lipbloemenfamilie. Belangrijk verschil met deze familie is de vorm van het vruchtbeginsel. Dat is niet vierhokkig, maar heeft de vorm van een tweehokkig vruchtbeginsel en is beetje flesvormig met daarop één stijl. De vrucht is even lang als de kelk, die achterblijft nadat de kroon is afgevallen. De draadvormige stijl blijft nog enige tijd aan de doosvrucht zitten.

De kelk heeft vier driehoekige tanden, die tamelijk spits zijn; de kelk is ook behaard. De rode en vergroeide kroon is tweelippig, waarbij de bovenlip de vorm van een helm heeft en de onderlip uit drie smalle slippen bestaat. De vier helmdraden staan ingeplant op de kroonbuis, waarbij er twee op de bovenlip staan en twee voor de zijslippen van de onderlip. De helmknoppen en helmhokken hebben tanden en vallen daardoor op. Het poedervormig stuifmeel of pollen wordt gestrooid op de rug van bezoekende insecten.

MM_130830

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Bremraapfamilie - Orobanchaceae
Plantengeslacht:
Helmogentroost - Odontites
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.10 - 0.60 meter
Bloeiperiode:
Juni - Oktober
Bloemkleur:
rood
Bloeiwijze:
-
Bloemvormen:
tweezijdig symmetrisch, tweelippig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 kelktanden, 5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
4 vergroeid met de kroonbladen
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, vierkantig, behaard
Schors:
grijs
Bladstand:
tegenoverstaand
Bladvorm:
lancetvormig
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het areaal of verspreidingsgebied van de Rode ogentroost omvat de gematigde streken van Europa en Azië. In het oosten van Noord-Amerika komt de soort nu ook voor. Het is daar een neofiet. Naast het voorkomen hoog op de kwelder in het Deltagebied en bij de Waddeneilanden, is ze vooral langs de grote rivieren op wat aangedrukte bodems, in Zuid-Limburg en Twente te vinden. Elders is ze zeer zeldzaam. Schaminée, J. et al. (2010) beschrijven in de Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland het voorkomen van Rode ogentroost als soort in de

12Ba3 Associatie van Aardbeiklaver en Fioringras

26Ac3 Kwelderzegge-associatie;

De plantensoort 'Rode ogentroost' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Rode ogentroost is een halfparasiet en dringt met zijn wortels binnen in die van andere planten. Daaruit wordt water en voedingsstoffen, met name mineralen, afgetapt die de planten gebruiken bij hun fotosynthese. De vormenrijke soort kent twee ondersoorten: naast de hier behandelde Rode ogentroost kennen we nog de Akkerogenstroost, subsp. vernus., die afstaande takken heeft die een hoek met de hoofdstengel maken die kleiner is dan 45 graden tot maximaal 45 graden. De kelktanden zijn wat meer lancetvormig en even lang of langer dan de kelkbuis. De soort komt voor op bouwland en akkers en is zeldzaam. Ze staat op de Rode lijst als 'Bedreigd'.

Tenslotte wordt er nog een derde ondersoort onderscheiden, namelijk de ondersoort of subsp. litoralis. Het is een soort die heel laag blijft en weinig vertakt. Als deze al in Nederland te vinden is, dan is dat op zilte bodems. Maar het is moeilijk om hierover exacte uitspraken te doen.

Voor meer uitgebreide informatie over de relaties met andere organismen, het milieu en de ecologie van Rode ogentroost verwijzen wij naar Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 229.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 522.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 879.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Odontítes vérnus subsp. serótinus.

In het Duitse taalgebied: Roter Zahntrost, Braunwurzgewächse en de wetenschappelijke naam is O. vulgaris; cf Kosmos Naturführer (2017). In Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora, heet de soort Roter Zahntrost en luidt de wetenschappelijke naam O. rubra.