Lievevrouwebedstro - Galium odoratum

Door de in een krans staande langwerpige bladeren valt Lievevrouwebedstro al op. Als dan ook nog de witte trompetvormige bloemen te zien zijn in het voorjaar, vallen de tapijten in loofbossen of op beschaduwde plekken langs hagen direct in het oog. Als de bloemen verwelken ruiken ze naar toffee.

Lievevrouwebedstro, Galium odoratum (L.) Scop., uit de Sterbladigenfamilie zou je misschien niet direct tot het geslacht Walstro herleiden. Immers de meeste walstrosoorten die we in Nederland tegenkomen kenmerken zich door lange stengels die rechtop staan of liggen over de rest van de vegetatie, dan wel voorzien zijn van veel weerhaakjes over de hele plant. Lievevrouwebedstro daarentegen lijkt uit vele niet al te grote, maximaal zo'n 25 tot soms 30 cm hoog wordende aparte planten te bestaan, die echter wel dicht bij elkaar staan en een soort tapijt of bed lijken te vormen. Als je echter in de meestal tamelijk vochtige en rulle bovenste bodemlaag het wortelstelsel opzoekt ontdek je al vlug dat er in de strooisellaag een uitgebreid wortelstoksysteem of rhizoom is te vinden waaruit de planten naar boven komen. De planten komen dan tevoorschijn op de plaatsen waar in de wortelstok knopen zitten. Op die knopen ontstaan ook de wortels die een beetje naar beneden in het bodemoppervlak groeien.

Bovengronds heeft iedere plant een vierkante, gladde en kale stengel. Aan de stengel staan een of meer  kransen met wel zes tot acht langwerpige tot lancetvormige bladeren. Deze bladeren zijn veel breder dan de bladeren die we aantreffen bij de andere Walstrosoorten. De bladeren hebben aan de onderzijde op de middennerf en aan de rand wat stekelig aanvoelende haartjes die naar de top van het blad wijzen. Tijdens de winterperiode blijven de groene bladeren van deze meerjarige plantensoort zichtbaar.

Boven in de planten staat een aantal bloemen bij elkaar in een schermvormige tros. Onder deze tuil staat een krans van kleine schutbladeren. Ook boven in de bloeiwijze vind je nog wat kleine schutblaadjes. De bloemen vallen op door hun trechtervorm. Ook dat is afwijkend van de bloemen van de andere Walstrosoorten, die meestal vlak zijn. De vier kroonslippen zijn wel over een groot gedeelte met elkaar vergroeid, ongeveer tot net onder de helft van de hele lengte van de kroonslippen. De bloemen worden bezocht door vliegen en kevers die voor de bevruchting zorgdragen. Een kelk ontbreekt, maar we zien wel een klein onderstandig vruchtbeginsel, dat na bevruchting uitgroeit tot een bolvormige dopvrucht die bezet is met gekromde haren. Dat laatste is dan een kenmerk dat we wel bij andere Waltstrosoorten kunnen zien bijvoorbeeld bij de vruchten van Kleefkruid. Met deze kromme haren lijkt het een kleine klit; en inderdaad helpt dit bij de verspreiding van de zaden door dieren; immers de vrucht blijft in de vacht hangen.

Op te merken is verder nog dat wanneer de bloemen verwelken ze een toffeegeur verspreiden.

180507_MM

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Sterbladigenfamilie - Rubiaceae
Plantengeslacht:
Walstro - Galium
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.10 - 0.25 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juni
Bloemkleur:
wit
Bloeiwijze:
schermvormige tros
Bloemvormen:
regelmatig, trechtervormig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
4 vergroeid met de kroonbladen
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
2
Stempels:
2
Vrucht:
splitvrucht
Zaden:
-
Stengel:
vierkantig
Schors:
-
Bladstand:
in kransen
Bladvormen:
lancetvormig, langwerpig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
wortelstok
Plantengemeenschappen:

De natuurlijke verspreiding in Nederland van Lievevrouwebedstro beperkt zich tot het zuiden van Limburg, waar de soort nog redelijk algemeen is te vinden in de loofbossen; wat zeldzamer is de soort in het zogenaamde Subcentreuroop district, waartoe we het noorden van Limburg, het Rijk van Nijmegen, de Liemers en de Achterhoek rekenen. Direct over de grens in Duitsland sluiten deze gebieden aan bij het areaal dat zich verder uitstrekt over Europa tot in Siberië en het noorden van Afrika. Verder kun je de soort ook nog rekenen tot de Stinsenflora en tref je hem wel aan als tuinplant. In België komt de plant veel meer voor, bijvoorbeeld aansluitend aan Zuid-Limburg in het Land van Herve en verder de Ardennen in.

De plantensoort 'Lievevrouwebedstro' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Een bijzonderheid van de soort is de geur van toffee, die de plant afscheidt. Door deze geur is de wetenschappelijke soortsnaam 'odoratum', wat 'geurend' betekent tot stand gekomen. Dit kenmerk van een toffeegeur kunnen ook aantreffen bij Reukgras.

Voor meer uitgebreide informatie over de relaties met andere organismen, het milieu en de ecologie van Lievevrouwebedstro verwijzen wij naar Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 111.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 473.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 979. In deze flora wordt Lievevrouwebedstro gerekend tot het geslacht Asperula en heet daar dan ook Asperula odorata.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Gálium odorátum.

De Duitse naam van de plantensoort is Waldmeister, Rötegewächse. Deze naam duidt erop dat de soort in het loofbos een belangrijke plek inneemt.