Video Determinatie

Harige ratelaar - Rhinanthus alectorolophus

Ratelaars dragen hun naam terecht. Als je de plant vindt nadat ze vrucht gezet heeft en zaden gevormd heeft in de doosvrucht, kun je haar op en neer rammelen als een rammelaar. Je hoort dan duidelijk de zaden in de doosvruchten als kogeltjes bewegen: een echte ratel! Maar voor die tijd, de volle zomer, kun je de Harige ratelaar, Rhinanthus alectorolophus, ook herkennen. De vorm van de plant en de bloeiwijze zijn heel eigen. De fraaie symmetrische gele bloemen in de tros staan in tegenoverstaande schutbladeren. Ze lijken wel wat op de bloemen van de Dovenetels. De kelken zijn zeer sterk behaard. Hun zaad werd en wordt verspreid met het hooi waarin de planten, echte hooilandplanten, zitten.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Tot de Bremraapfamilie of Orobanchaceae hoort een aantal plantensoorten die als halfparasiet of als volledige parasiet te herkennen zijn. Volledige parasieten zijn planten die volstrekt zonder chlorofyl, dus niet groen gekleurd zijn en die daarom volledig afhankelijk zijn van de gastheerplant waarop ze parasiteren. Halfparasieten zijn planten die wel over bladgroen of chlorofyl beschikken, maar meestal met hun wortel in de waardplant dringen en op die manier water en bepaalde mineralen via de waardplant opnemen. Omdat ze wel chlorofyl bevatten kunnen ze zelf in hun energie voorzien door middel van fotosynthese.

Harige ratelaar, Rhinanthus alectorolophus (Scop.) Pollich, is zo'n halfparasiet. Hij is gemakkelijk van de twee andere Ratelaars te onderscheiden, want de platte kelken zijn sterk bezet met meercellige haren. Ook is de stengel bovenaan rondom behaard. De kronen zijn tweelippig, geel van kleur en 1,5 tot 2,5 cm lang. Hun keel is gesloten. De twee tanden van de bovenlip zijn 2 mm lang en paars van kleur. De vier kelkbladen zijn vergroeid; de vier toppen zijn als tanden goed zichtbaar.

Ze bloeien in de tweede helft van de lente en de vroege zomer. Na de vruchtzetting kun je de zaden horen rammelen in de bloemtrossen.

De tegenoverstaande schutbladen zijn driehoekig van vorm en hebben een gezaagde rand, met allemaal ongeveer gelijk grote zaagtanden. De stengelbladeren zijn langwerpig en gelobd tot gezaagd.

Harige ratelaar is een soort van het Zuid-Limburgse kalkgrasland, dat je daar op de krijthellingen vindt. Maar soms is ze ook uitgezaaid, vooral in stedelijke gebieden en dan kun je haar daar ook vinden als ze tenminste enige tijd weet stand te houden. Vroeger kwam ze ook voor in het rivierengebied en in vochtige hooilanden langs de Geul en de Maas.

MM_120308

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Bremraapfamilie - Orobanchaceae
Plantengeslacht:
Ratelaar - Rhinanthus
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.20 - 0.80 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juli
Bloemkleur:
geel
Bloeiwijze:
-
Bloemvormen:
tweezijdig symmetrisch, tweelippig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 vergroeide kelkbladen, 4 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
4 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, vierkantig, behaard
Schors:
-
Bladstand:
tegenoverstaand
Bladvormen:
driehoekig, langwerpig
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds delen:
penwortel
Plantengemeenschappen:

Het verspreidingsgebied van Harige ratelaar omvat Midden-Europa met een uitloop naar Midden-Italië en Bretagne. In Nederland is het areaal beperkt tot de kalkgrashelligen in Zuid-Limburg en een paar groeiplaatsen in het rivierengebied. Een aantal vindplaatsen zijn steile kalkhoudende hellingen die door graafwerkzaamheden zijn ontstaan. Soms is zaad met andere kruiden uitgezaaid en kan de soort zich daarna een tijdje handhaven. Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, delen Harige ratelaar in bij de gemeenschap

15Aa1 Kalkgrasland

De plantensoort 'Harige ratelaar' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Ratelaars zijn zogenaamde halfparasieten, dat wil zeggen dat ze slechts voor een deel van hun fysiologie afhankelijk zijn van andere planten. In hun geval penetreert de wortel de wortels van andere soorten, vooral van grassen, waarbij ze uit die wortels van de gastheer water en mineralen opnemen. Ze kunnen met het chlorofyl in hun bladeren zelf fotosynthetiseren en suikers maken.

In Weeda, E.J. et al., (1988) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 3: 237, is meer informatie te vinden over de ecologie en de relaties met andere organismen en het milieu.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 518.

Een andere determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 882.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Rhinánthus alectorólophus