Grote veldbies - Luzula sylvatica

Grote veldbies of Luzula sylvatica is een, in onze soortenrijkere bossen, zeldzame plant. De forse pollen met onderaan tot 2 cm brede donkergroene bladeren zijn opvallend. Op plaatsen waar hij voorkomt zijn soms hele hellingen, bedekt met deze soort, te vinden. De soort is in Nederland tamelijk zeldzaam, vooral in Zuid-Limburg, in Midden-Limburg, en in bossen rond Nijmegen en hebben we een grote kans deze soort tegen te komen. Het is niet voor niets dat we hem groot noemen, het is de grootste Veldbies die we in ons land kunnen aantreffen. De pollen kunnen 40 tot 50 cm hoog worden, en de randen van de bladeren zijn bezet met lange lichte haren.

Ook hier hebben we schutbladeren, maar deze zijn duidelijk korter dan de bloeiwijze (verschil met Witte veldbies). De bloemdekbladen zijn lichtbruin van kleur. We vinden er zes en ook na de bloei zijn deze makkelijk terug te vinden rond de vrucht.

Grote veldbies of Luzula sylvatica (Huds.) Gaudin, is een overblijvende, inheemse plant, uit de Russenfamilie of Juncaceae. Planten als deze noemen we wel grasachtig , hoewel ze niet tot de grassenfamilie horen. De hoogte is tot ongeveer 100 cm (bloeiwijze), de bladrozetten worden tot ongeveer 40 cm hoog. Deze plant heeft wortelstokken, waaraan forse dichtbladige pollen ontspruiten. De voortplanting geschiedt dan ook door wortelstokken of door middel van zaad.

De wat holle, gootvormige en lijnvormige bladeren kunnen onderaan vrij breed zijn, vanaf 5 mm maar vaker tot wel 20 mm breed.

De meeste bladeren zijn wortelstandig, we spreken wel van een wortelrozet. Er worden forse pollen gevormd met donkergroene bladeren van 40 cm lengte. Daarnaast draagt de stengel enkele korte bladeren, deze zijn smaller dan de wortelstandige bladeren. De schutbladeren, meestal twee, zijn korter dan de bloeiwijze, dit is een verschil met Witte veldbies. Zoals bij vrijwel alle Luzula s of Veldbiezen vinden we ook hier lange vuilwitte haren aan de bladrand, wat we een gewimperde rand noemen. Bij doorzicht van het blad tegen het licht, zijn duidelijk de vaatbundels te zien, als lange lichtgekleurde strengen, onderaan kunnen deze lichtpaars van kleur zijn. Wat verder opvalt is de baksteen structuur , tussen de hoofdnerven zijn klein dwarsnerven te vinden.

Bloemen vinden we met 2 tot 5 (soms 8) dicht opeen geplaatst, aan takken van een weer sterk vertakte bloeiwijze. Deze steekt hoog boven de bladrozetten uit. De gehele bloeiwijze is, in omtrek, enigszins bol. Onder de grote bloeiwijze staan, het is hierboven al genoemd, twee korte schutbladeren.

De zes bloemdekbladen zijn lichtbruin van kleur en hebben een lichte vliezige rand. De middennerf is vaak anders, wat groenig, van kleur. Bij de binnenste bloemdekbladen is de top kort toegespitst. De diameter van de bloem is ongeveer 4 mm. Andere kenmerken van de bloem zijn de zes meeldraden, het bovenstandige vruchtbeginsel met een lange stijl en drie stempels, een typische opbouw van de Russenfamilie.

De vrucht ontwikkelt zich tot doosvrucht, eivormig en kort toegespitst. De zaden zijn 1 tot 1½ mm lang en dragen aan de top een klein elaiosoom of mierenbroodje. Net als bij Witte veldbies draagt dit eiwithoudende aanhangsel bij tot de verspreiding van de soort. Mieren worden er door aangetrokken en verslepen de zaden.

Het voorkomen van Grote veldbies is beperkt tot loofbossen, en daar voornamelijk op hellingen. Deze standplaatsen hebben een natte tot vochtige, meestal wat zure bodem.

GB_131201

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Russenfamilie - Juncaceae
Plantengeslacht:
Veldbies - Luzula
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.30 - 1.00 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juni
Bloemkleur:
bruin
Bloeiwijze:
pluim
Bloemvormen:
meertallig (zestallig of meer), russenbloem
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
6 bloemdek
Meeldraden:
6 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
3
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengel:
met merg gevuld
Schors:
-
Bladstanden:
wortelstandig-verspreid, in dichte pollen
Bladvorm:
lijnvormig
Bladrand:
behaard
Ondergronds delen:
rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Grote veldbies komt voor in geheel West-, Midden- en Zuid-Europa, maar niet in de meest warme (Spanje) of meest koude gebieden (binnenland van Scandinavië). In Nederland is Grote veldbies zeldzaam in Zuid-Limburg, in Midden-Limburg en het gebied rond Nijmegen, in de overige pleistocene gebieden zeer zeldzaam. Verder in de noordelijke (kalkarme) duingebieden. In België wordt de soort aangegeven als zeldzaam tot plaatselijk vrij algemeen. Schaminee et al. (2000) Veldgids Plantengemeenschappen, beschrijft de soort als een typische, maar geen kensoort van de

42Ab1 Associatie Veldbies-Beukenbos

De plantensoort 'Grote veldbies' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Bestuiving geschiedt door de wind, of zelfbestuiving wordt voorkomen door protogynie, net als bij Witte veldbies, is niet duidelijk.

Meer informatie over Grote veldbies is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 44-45.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 139.

Determinatie is ook goed mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 23ste druk: 821.

Uitspraak (klemtoon) van de wetenschappelijke naam: Lúzula luzuloídes