Grauwe en Rossige wilg - Salix cinerea

Wilgensoorten zijn, als groep wel herkenbaar, de soorten zijn niet altijd goed te onderscheiden. Grauwe wilg is echt een moeilijke en wat variabele soort. Er zijn overeenkomsten met Boswilg en Geoorde wilg. Ook vindt bastaardering plaats en komen ondersoorten voor. De beste herkenningspunten zijn: Meestal een hoge struik, bladeren minder dan 3x zo lang als breed, met puntige, vaak wat gedraaide top. De lengte van het blad is 2,5 tot 6 cm, enigszins langwerpig met de grootste breedte in het midden, de bladsteel is niet langer dan 1 cm. Het blad is van boven dof blauwgroen, aan de onderkant grijs en viltig behaard. Vooral de jonge takken, maar ook de wat oudere, hebben een korte viltige beharing.

Grauwe wilg, Salix cinerea L. is een struikvormige inheemse vertegenwoordiger van de Wilgenfamilie of Salicaceae. Deze soort wordt behandeld in brede zin (wetenschappelijke aanduiding s.l. = sensu lato). Dat wil zeggen dat aan ondersoorten hier geen aandacht wordt geschonken. Zie voor Rossige wilg en moeilijk herkenbare kruisingen onder Bijzonderheden .

Grauwe wilg is een struik of zelden een kleine boom, waarvan de takken een grijzige, viltige beharing hebben. De hele plant maakt een grijzige indruk, wat ook wordt weergegeven met de naam: cinerea betekent namelijk askleurig of asgrauw. De soort kan uitgroeien tot een hoogte van maximaal 8 meter, maar vaak zijn exemplaren slecht enkele meters hoog. Ook de knoppen zijn grijsviltig behaard. Wanneer we voorzichtig een reep bast van een wat oudere tak of van een twee jaar oude twijg afpellen zien we daaronder duidelijk lijsten, lange, verspreide, opstaande verhevenheden of ribbels in de lengterichting van de tak. Dit is een overeenkomst met de Geoorde wilg.

De bladeren zijn langwerpig tot omgekeerd eirond, daarbij meestal langer dan 4 cm, met de grootste breedte in het midden. De lengte-breedte verhouding van het blad is kleiner dan 3. De bladgrootte is nogal variabel, van 2,5 tot 6 cm lang. Aan de onderkant vooral op de hoofdnerf is het blad grijs behaard, aan de bovenkant dof blauwgroen. De randen zijn zwak gezaagd tot getand. Steunblaadjes zijn meestal aanwezig, maar kunnen wel afvallen, deze zijn niervormig en in verhouding klein.

De struiken bloeien in maart en april voordat de bladeren verschijnen. De rechtopstaande bloeiwijzen noemen we katjes. We vinden mannelijke en vrouwelijke planten afzonderlijk, de soort is daarmee tweehuizig. De eenslachtige bloemen dragen geen kelk- en kroonbladen maar bestaan uit een schutblad bij de mannelijke bloemen met twee meeldraden met aan de voet een nectarklier (honingschub!), bij de vrouwelijke bloemen een flesvormig vruchtbeginsel met een korte stijl en twee stempels, ook hier met een nectarklier aan de basis. De bekende katjes bestaan uit een groot aantal van deze ofwel mannelijke ofwel vrouwelijke bloemen boven elkaar. Het stuifmeel stuift maar weinig, een aantal Wilgen zijn voor een groot deel afhankelijk van vroeg in het jaar optredende hommels of (wilde) bijen voor hun bestuiving. Bij Grauwe wilg zijn de helmknoppen voor het openen rood van kleur, het stuifmeel is heldergeel.

Uit het vruchtbeginsel ontstaat een doosvrucht waarin zich meerdere zaden ontwikkelen, deze zijn voorzien van haren die als een haarkrans op de top staan ingeplant. Het zal geen verbazing wekken dat ze door de wind verspreid worden ( zomersneeuw ).

Wanneer we in het voorjaar, met zonnig weer, bij een bloeiende Wilg staan, bijvoorbeeld bij een Boswilg of Grauwe wilg, kunnen we de geurstoffen die aan de nectarklieren worden afgegeven duidelijk ruiken, wat je herkent is een honinggeur .

Vooral Boswilg en Geoorde wilg lijken sterk op Grauwe wilg. De eerste is vooral meer een boom, in alle opzichten groter dan de laatste, ook wat betreft de bladlengte en breedte. De bladeren van Boswilg doen aan appelblad denken en de steunblaadjes aan de jonge takken zijn groter. De tweede, Geoorde wilg, is in alle opzichten kleiner, met een blad kleiner dan 3 cm, opvallend gerimpeld met golvende bladrand.

GB _2014-12-01

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Wilgenfamilie - Salicaceae
Plantengeslacht:
Wilg - Salix
Plantvorm:
struik of boom
Plantgrootte:
2.00 - 10.00 meter
Bloeiperiode:
Maart - April
Bloemkleuren:
paars, grijs
Bloeiwijze:
katje
Bloemvorm:
bloemdek
Bloemtype:
eenslachtig
Bloembladen:
-
Meeldraden:
2 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengel:
behaard
Schors:
grijs
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
elliptisch, omgekeerd eirond, langwerpig
Bladranden:
gaaf, gekarteld
Ondergronds delen:
-
Plantengemeenschappen:

Grauwe wilg is sterk gebonden aan vochtige plaatsen, maar niet beperkt tot zure bodems zoals Geoorde wilg. We vinden deze soort in broekbossen, duinvalleien laagveengebieden en beekdalen. De soort is in Nederland zeer algemeen, maar komt wat minder voor in de noordelijke kleigebieden. In België is zij vrij algemeen tot vrij zeldzaam. Verder komt de soort voor in Europa (behalve het meest westelijke deel), in de gematigde streken van Azië, en in Noord-Afrika.

Volgens Schaminee et al., 2010; Veldgids Plantengemeenschappen is Grauwe wilg een kensoort zowel van de Klasse der wilgenbroekstruwelen [36] als het Verbond van wilgenbroekstuwelen en te vinden in de

[36Aa1] Associatie van Geoorde wilg en in de

[36Aa2] Associatie van Grauwe wilg.

Verder komt de soort als ondergroei voor in een aantal vochtige bosgemeenschappen als het

[39Aa1] Moerasvaren-Elzenbroek;

[39Aa2] Elzenzegge-Elzenbroek;

[40Aa2] Zompzegge-Berkenbroek.

De plantensoort 'Grauwe en Rossige wilg' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Vaak wordt naast Grauwe wilg nog Rossige wilg (Salix atrocinerea) onderscheiden als soort of als ondersoort (Salix cinerea subsp. oleifolia). Deze soort zou te onderscheiden zijn doordat de takken hun beharing vrij snel verliezen, en door roestbruin behaarde hoofdnerven van de bladen. In Nederland zijn echter allerlei tussenvormen te vinden en is het waarschijnlijk niet mogelijk een goed onderscheid te maken.

Kruisingen van Grauwe wilg met andere soorten zijn te vinden met:

Katwilg (Salix x smithiana);

Boswilg (Salix x teichardtii) en met

Geoorde wilg (Salix x multinervis).

Uitspraak (klemtoon of accenten) van de wetenschappelijke naam: Sálix cinérea.

Meer informatie over de ecologie en de interacties met andere organismen, bijvoorbeeld met schimmels, is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1: 76. Vooral ook het stuk over Wilgenstruwelen en Wilgenbossen (blz. 64) is interessant.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 337.

Determinatie is ook goed mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 23ste druk: 122.