Video Determinatie

Gele waterkers - Rorippa amphibia

Gele waterkers, Rorippa amphibia, heeft tijdens de bloei in de late lente en voorzomer gele bloemen waarvan de kleur neigt naar oranjegeel. De bloemen staan in trossen aan het eind van de vertakte stengels die tot meer dan een meter hoog kunnen worden. De hauwtjes zijn een halve cm groot en ongeveer anderhalf keer zo lang als breed. Op de hauwtjes staat de rest van de stijl, de snavel, van ongeveer 2 mm. De vorm van de bladeren is heel verschillend, van ingesneden geveerd onder aan de plant, vaak onder water, tot langwerpig, boven in de plant.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Binnen de familie van de Kruisbloemen kennen we geslachten die we aanduiden met de naam Kers; niet te verwarren met de plantensoorten uit de Rozenfamilie die we in het Nederlands kers noemen. Een gemakkelijk onderscheid levert ons de Duitse taal: de eerste groep noemt men in het Duits Kresse; de tweede groep Kirsch (zie Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora - Gefässpflanzen, 196 en 261; zie ook K. Dijkstra www.wilde-planten.nl van Nederland en België). Bij de geslachten uit de Kruisbloemenfamilie gaat het derhalve over Kresse-Arten. Een van de meest opvallende geel bloeiende kerssoorten is Gele waterkers of Rorippa amphibia (L.) Besser.

De Gele waterkers staat op natte bodems, aan en in de oeverzone van plassen, zoals tichelgaten die we kennen uit de Groenlanden in de Ooijpolder, maar ook langs beekoevers en de oeverzone van plassen en meren. Ook op drijftillen, natte uiterwaarden langs de grote rivieren en in moerasbossen tref je de Gele waterkers in de tweede helft van het voorjaar bloeiend aan. Hun standplaats moet in ieder geval minstens tijdelijk overstroomd zijn.

Aan de rechtopstaande stengels staan de bladeren verspreid. De vorm van de bladeren is heel gevarieerd en verschillend en kan van beneden naar boven variëren van veerdelig ingesneden, tot enigszins liervormig of langwerpig. De rand van de bladeren is daarbij getand en soms zo diep dat ze veerspletig zijn. De bladeren zijn zittend en meestal zonder oortjes; als je al aan de voet van de bladeren wat lobbige uitzakkingen aantreft steken deze zeker niet verder uit voorbij de stengel, wat je wel bij twee andere soorten uit dit geslacht vindt.

De gele bloemen staan in trossen aan het uiteinde van de naar boven toe vertakte stengels. En zoals dat veel voorkomt bij de bloemen van de Kruisbloemigen, zie je al heel snel ook vruchten in die trossen. De vruchten zijn hauwtjes, dat wil zeggen: ze zijn minder dan drie maal zolang als breed. In het geval van de Gele waterkers zijn ze ongeveer een halve cm lang en daarbij iets langgerekt. Op de hauwtjes staat een rest van de stijl, de zogenaamde snavel die tot ongeveer 2 mm lang kan zijn. De hauwtjes staan op lange stelen die rondom de stengel in alle richtingen afstaan. Deze stelen zijn 3-4 maal zo lang als de hauwtjes; dus tot zo'n 2 cm lang.

De gele tot oranjegele kroonbladen zijn rond de 4-5 mm lang. De kleur neigt derhalve wel wat naar die van de Muurbloem, Erysimum cheiri, ook uit de Kruisbloemenfamilie en bekend van de Muurbloem-associatie.

MM_140801

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Kruisbloemenfamilie - Brassicaceae
Plantengeslacht:
Gele kers - Rorippa
Plantvorm:
oeverplant
Plantgrootte:
0.35 - 1.25 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juni
Bloemkleur:
geel
Bloeiwijze:
-
Bloemvormen:
viertallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
4 kelkbladen, 4 kroonbladen
Meeldraden:
6 meeldraden
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
hauwtje
Zaden:
-
Stengel:
rechtopstaand
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
ingesneden, langwerpig
Bladranden:
getand, veerspletig
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het areaal van de Gele waterkers loopt van West-Europa tot diep in Siberië en is gebonden aan zoet water, waarin ze staat; ook in de oeverzone tref je de soort aan, maar ook op beschaduwde plaatsen zoals in moerasbossen. De soort draagt bij de verlanding van oevers, bijvoorbeeld in afgesneden rivierarmen of veenplassen.

De plantensoort 'Gele waterkers' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De onderste bladeren van de Gele waterkers komen vaak niet boven water uit. Ze zijn veerdelig ingesneden met smalle tamelijk lange slippen. We noemen dit type blad, dat een aanpassing is aan bewegend water, ook wel kamvormige bladeren.

Door uitlopers kan de soort zich op een groeiplaats verbreiden, maar ook vegetatieve vermeerdering doordat stengelstukken afbreken en weer wortel schieten treedt veelvuldig op. Kruisbestuiving door insecten, die nodig is om fertiel (kiemkrachtig) zaad te verkrijgen, kan niet optreden tussen deze ogenschijnlijk verschillende planten als ze dicht bij elkaar staan. Het zijn immers stekken of klonen van elkaar.

Wel kan tussen planten van verschillende Waterkers soorten in uiterwaarden bestuiving optreden! Er worden dan vruchtbare bastaarden gevormd die met de ouderplanten kunnen terugkruisen. Je vindt daardoor nogal eens Waterkersplanten die karakteristieken hebben van meerdere soorten.

Het Nederlandse 'Kers' wordt gebruikt voor meerdere plantengeslachten uit verschillende plantenfamilies. De plantensoorten uit de Rozenfamilie met kersvormige vruchten (Prunus) staan tegenover de plantensoorten uit de familie der Kruisbloemigen, waartoe Rorippa hoort. In het Duits is dit onderscheid goed gedefinieerd: de soorten met als steenvruchten kersen worden in het Duits Kirsche genoemd; de soorten als Rorippa noemt de Duitser Kresse. Met dit in het achterhoofd kunnen we het onderscheid goed maken.

Uitgebreidere informatie over de ecologie van de Gele waterkers en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 21-22.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 421.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 523.

Een handige Duitse Flora die de planten behandelt van het Duitstalig deel van Europa is Rothmaler, W. (1981) Exkursionsflora - Gefässpflanzen, 196 en 261.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Roríppa amphíbia.