Geelrode naaldaar - Setaria pumila

Geelrode naaldaar, een van onze grassen, valt in de nazomer en najaar op door zijn, met borstels bezette, kleurige en compacte aren. Bij deze soort staan meerdere borstelharen onder ieder éénbloemig aartje geplaatst. Vooral de late bloei is opvallend omdat de hoofdbloei van grassen dan al voorbij is. Wanneer de zon door de aren heen schijnt zie je een geel-oranje tot rossige tint, door de gekleurde borstelharen. Maar er zijn meer opvallende kenmerken te vinden. We zien een relatief breed en sterk gekielde bladschede en blad, waarbij de basis paarsrood van kleur is. Onderaan de plant zijn veel scheuten te vinden, waarbinnen al bloeiwijzen gevormd zijn, eerst liggend, die zich gaandeweg oprichten.

Deze Naaldaar-soort is op akkers maar ook vaak in stedelijke omgeving te vinden, zoals langs wegranden, tussen stoeptegels en in stadsparken.

Een van de grassen die pas ver na het voorjaar bloeien is Geelrode naaldaar, Setaria pumila (Poir.) Schult. van de Grassenfamilie of Poaceae. De bloei van dit éénjarige gras is van Juli tot in de herfst, zonder veel energie in vegetatieve (niet bloeiende) scheuten en ondergrondse delen te steken, (bijna) alle zijtakken komen tot bloei, de plant is er op gericht zoveel mogelijk zaad te produceren. De planten zijn 75-80 cm hoog. Daarom is de tweede deel van de naam ook wat misleidend, pumila betekent dwerg, en met deze grootte kun je als gras moeilijk een dwerg genoemd worden.

De soort hoort bij de subfamilie Panicoideae, de Gierstgrassen (GPWG, 2000 *)), veel soorten uit deze groep kennen een C4-metabolisme (zie onder Bijzonderheden).

De bladeren zijn breed, 8-9 mm, en blad zowel als bladschede zijn scherp gekield, daarbij de onderste sterk afgeplat. De bladrand is ruw, de basis van blad en stengel zijn paarsrood van kleur, de bladeren aan de stengel meestal grijs- tot blauwgroen.

Bij doorzicht zijn 4-5 oplichtende vaatbundels aan iedere kant van de hoofdnerf te zien. De bladschede is kaal, maar op de bovenzijde van het blad en bij de overgang van schede naar bladschijf, zijn haren, zelfs lange haren aanwezig. In plaats van een tongetje vinden we een dichte krans van fijne haren.

De aarpluimen zijn tot 14 cm lang en 1 cm breed, waarbij de aar niet onderbroken is. Hierin vinden we aartjes die al of niet kort vertakt bijeen staan. Onder ieder aartje staan roestbruine, rossige haren geplaatst. Dit kunnen per aartje 3 tot 10 borstelharen zijn soms zelfs meer. Ieder éénbloemig aartje heeft kelkkafjes die duidelijk korter zijn dan de kroonkafjes, waardoor het bovenste kroonkafje duidelijk te zien is. Bij voldoende vergroting is te zien dat dit kafje (het lemma) sterk gerimpeld is. Soms komen aartjes voor met 2 bloemen waarbij er een, de onderste, alleen mannelijk of onvruchtbaar is. De graanvrucht blijft omsloten door de harde kroonkafjes, lemma en palen.

GB_2015-11-17

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Grassenfamilie - Poaceae
Plantengeslacht:
Naaldaar - Setaria
Plantvorm:
gras
Plantgrootte:
0.05 - 0.75 meter
Bloeiperiode:
-
Bloemkleur:
groen
Bloeiwijze:
aar
Bloemvorm:
grasbloem
Bloemtypen:
eenslachtig, tweeslachtig
Bloembladen:
2 kelkkafje, 2 kroonkafje
Meeldraden:
3 meeldraad
Vruchtbeginsel:
bovenstandig
Stijlen:
2
Stempels:
2
Vrucht:
graanvrucht of korrel
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, glad, rond
Schors:
-
Bladstand:
in twee rijen
Bladvorm:
lijnvormig
Bladrand:
ruw
Ondergronds delen:
bijwortelstelsel
Plantengemeenschappen:

Deze Naaldaar-soort komt in vrijwel alle werelddelen voor, in mediterraan of streken met een gematigd klimaat van Europa, West-Azië, en Oostelijk Noord-Amerika, verder in Indochina en Australië.

In Nederland vrij algemeen, behalve in de polders en de kleigebieden. Vrijwel afwezig op de Waddeneilanden.

In België vrij zeldzaam in de Kempen, zeldzaam in Belgisch Brabant, Lotharingen en in de Krijtstreek, elders zeer zeldzaam.

Volgens Schaminee et al., 2010; Veldgids Plantengemeenschappen, komt Geelrode naaldaar voor in de Klasse der Akkergemeenschappen, en wel als kensoort van het Verbond van Vingergras en Naaldaar [30Bb], samen met Knopkruid, Melganzenvoet Vogelmuur en Varkensgras. Speciaal wordt deze soort, hoewel in kleine aantallen, gevonden in associaties als: [30Bb1] Associatie van Gele Ganzenbloem en [30Bb2] Hanenpoot-associatie.

De plantensoort 'Geelrode naaldaar' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Oude namen voor deze soort zijn Zeegroene naaldaar en Setaria glauca.

Samen met planten uit de geslachten Gierst, Naaldaar, Vingergras en Sorgo, behoort de hier behandelde soort tot de zogenaamde C4-planten. Dit zijn plantensoorten met een bijzondere aanpassing in de fotosynthese-stappen waarbij van koolstofdioxide (CO2) verbindingen met 4 koolstofatomen worden gevormd. De meeste planten uit gematigde streken kennen een zogenaamd C3-metabolisme waarbij verbindingen uit 3 koolstofatomen worden geproduceerd. Soorten die zijn aanpast aan warmere streken, kunnen via dat C4-metabolisme met minder water toe, hebben dan ook een lagere verdamping en een hogere efficiency bij de opname van CO2. Het zal duidelijk zijn dat veel planten met deze kenmerken zich uit andere delen van de wereld hebben gevestigd, of zijn geïmporteerd. 

Uitspraak (klemtoon of accenten) van de wetenschappelijke naam: Setária púmila.

Meer informatie over dit bijzondere gras en zijn vindplaatsen is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 222.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 242.

Determinatie is ook goed mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 23ste druk: 887.

*) GPWG 2000 slaat op de werkgroep die een studie maakt van de taxonomie van grassen (Grass Phylogeny Work Group).