Video Determinatie

Framboos - Rubus idaeus

Tussen de struiken met lange met stekels bezette takken die je veel kunt vinden op de bodem van onze bossen kan zich naast de Braam ook de Framboos bevinden. De Framboos, Rubus idaeus, maakt weinig liggende, maar vooral vrijwel rechtopstaande stengels, die spaarzaam met kleine stekels bezet zijn. De witte bloemen produceren na bestuiving en bevruchting braamvormige, samengestelde vruchten. De kleur is vuurrood en het sap bevat veel vitamine C. Framboos wordt ook veel gekweekt.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Een struik die ook veel wordt aangeplant in tuinen vanwege de vruchten is de Framboos, Rubus idaeus L., uit de Rozenfamilie. De spontane groeiplaats in onze vegetatie wordt gevormd door zomen, struweelranden, loofbossen en kapvlakten. Het zijn in het algemeen licht beschaduwde standplaatsen.

De heester of halfstruik heeft later verhoutende stengels die aanvankelijk groen kleuren, maar na verloop van enige tijd roodachtig paars tot bruin kleuren. Ze hebben lenticellen en zijn niet heel erg bezet met kleine stekels. Opvallend is de witte berijptheid van de jonge stengels vooral in het voorjaar. Ze vertakken nauwelijks. Oudere planten kunnen vanuit de wortels ook uitlopers hebben waarmee ze zich verspreiden. Ze maken vrijwel elk jaar opnieuw rechtopstaande stengels die na de bloei in hun tweede jaar afsterven.

De bladeren zijn oneven veerdelig en het aantal deelblaadjes bedraagt 3 tot 7, maar drietallige bladeren zijn in de meerderheid. De deelblaadjes zijn eirond tot langwerpig en hebben een gezaagde bladrand. Heel opvallend is de wit-viltige kleur van de onderzijde van de deelblaadjes. De nervatuur van de deelblaadjes is geveerd. Onderaan de bladsteel zitten twee priemvormige steunblaadjes.

Tijdens de bloeiperiode in de voorzomer, zo vanaf mei, staan er armbloemige trossen aan de uiteinden van de rechtopstaande stengels. Aan de bloemknoppen is goed te zien dat de vijf kelkbladen een lange top hebben. De kelkbladen zijn ook groter dan de witte kroonbladen, wat goed te zien is als de bloemen open zijn gegaan. De kelkbladen zijn dan teruggeslagen en de ronde kroonbladen staan aanvankelijk rechtop. Ook deze slaan later enigszins terug tot ze min of meer recht afstaan van de bloembodem. Ze vallen snel af. Er zijn in de bloem veel meeldraden te zien die op de brede bloembodem zijn ingeplant. Een groot aantal vruchtbeginsels staat midden op de bloembodem. Elk vruchtbeginsel heeft een stijl met stempel. Na bestuiving en bevruchting door zweefvliegen, bijen of kevers, groeien de vruchtbeginsels uit tot sappige bessen. Tegelijkertijd groeit de bloembodem van het midden uit omhoog, zodat de bessen op een uitgestulpte bloembodem komen te staan. Tijdens de rijping zie je de bessen van kleur veranderen: van groen worden ze vuurrood. Dat is een onderscheid ten opzichte van de Braam, die vergelijkbare vruchten kent die diep paars van kleur zijn.

Nadat de totale schijnvrucht van de bloem is afgehaald blijft de kegelvormige bloembodem achter.

MM_141212

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Rozenfamilie - Rosaceae
Plantengeslacht:
Braam - Rubus
Plantvorm:
struik
Plantgrootte:
0.50 - 1.50 meter
Bloeiperiode:
Mei - Juli
Bloemkleur:
wit
Bloeiwijze:
-
Bloemvormen:
vijftallig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 kelkbladen, 5 kroonbladen
Meeldraden:
20 of meer
Vruchtbeginsel:
veel, bovenstandig
Stijlen:
1
Stempels:
1
Vrucht:
bes
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, gestekeld
Schors:
horizontale lenticellen, roodachtig paars, roodbruin
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
oneven geveerd, langwerpig
Bladrand:
gezaagd
Ondergronds delen:
hoofd- en bijwortels
Plantengemeenschappen:

Het areaal of verspreidingsgebied van de Framboos wordt gevormd door de gematigde en koudere streken van het noordelijk halfrond. In de hogere zandstreken, de zogenaamde pleistocene streken, van de Benelux tref je de Framboos van nature aan op kapvlakten of op een door een omvallende boom in het loofbos vrijgekomen plek, in struweelranden en zomen. Framboos moet het hebben van snel omgezet bladmateriaal. Dat gebeurt wanneer een loofbosbodem direct door de zon beschenen wordt: dit bevordert die snelle omzetting, waarbij stikstof vrijkomt. De Framboos maakt daar dankbaar gebruik van. In de volle schaduw laat de soort het echter afweten. Hij is dan ook als een pioniersoort te beschouwen, die gebruik weet te maken van zo'n plotselinge verandering in de bosopbouw.

De plantensoort 'Framboos' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Framboos wordt vanwege de lekkere schijnvruchten, die hier ook wel 'verzamelvrucht' genoemd worden veel aangeplant. De bessen bevatten veel sap met daarin vitamine C en vormen ook voor de mens en allerlei andere dieren een gewilde versnapering. Zo worden de pitten, dat zijn de zaden, in de bessen verspreid. Uit opgravingen van oude beerputten is gebleken dat daar veel bramen- en Frambozenpitten in zitten wat erop duidt dat ze al lang op het menu van de mens staan.

De naam Framboos is evenals de naam Brem en Braam van origine in gebruik voor Stekel (ook braam aan een mes of ander scherp voorwerp). Al aan het begin van de jaartelling gebruikte men de naam Rubus voor Braam of Framboos. Wellicht is het Latijnse 'ruber' voor 'rood' hiervan de oorsprong vanwege de rode vrucht en de vaak ook rode stengels. De soortnaam idaeus is ontleend aan de berg Ida op Kreta gelegen waar de wilde Framboos blijkbaar in de oudheid al voorkwam (met dank aan Jan van Twisk).

Uitgebreidere informatie over de ecologie van Gewone braam en de relaties van deze soort met andere organismen en het milieu kunnen gevonden worden in Weeda, E.J. et al., (1987) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 2: 62-63.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 381.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 708.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Rúbus idáeus.