Video Determinatie

Engelse alant - Inula britannica

Tijdens de bloei vallen in de uiterwaarden van de rivieren de tamelijk grote goudgele hoofdjes op van de Engelse alant, Inula britannica. De linten van de lintbloemen zijn tot 3 cm lang en de aanvankelijk ook goudgeel gekleurde buisbloemen verkleuren al snel naar bruinachtig. De planten hebben tamelijk slappe stengels, die vooral onder de hoofdjes zijde-achtig behaard zijn. Ook de tamelijk tere bladeren zijn van onderen wollig behaard. De plant is behalve in de uiterwaarden ook te vinden op de stenen beschoeiingen langs de rivieren.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Langs onze rivieren en kanalen op kribben en de uiterwaarden kun je in de nazomer een met goudgele bloemen bekroonde plant vinden. Het is de Engelse alant, Inula britannica L., uit de Composietenfamilie.

De planten, zonder melksap, hebben weinig of geen klierharen en zijn niet kleverig, maar de tamelijk dunne stengel is wel vaak wollig tot zijde-achtig behaard, vooral onder de hoofdjes.

De tamelijk slappe bladeren staan verspreid aan de stengel; de onderste stengelbladeren zijn in het midden niet ingesnoerd en de wortelbladeren zijn niet rond tot hartvormig. Ze zijn met een steelachtig versmalde voet zittend aan de stengel geplaatst. De middelste en bovenste stengelbladeren zijn lancetvormig en met een hartvormige voet half-stengelomvattend. De stengelbladeren zijn van onderen wollig behaard en hebben een gave rand, met soms aan de voet een paar zwakke tanden.

De hoofdjes zijn zonder de lintbloemen 1-3 cm breed; de hoofdjes zijn alleenstaand of met slechts enkele bijeen. De lengte van de hoofdjesstelen is zodanig dat de hoofdjes min of meer in een vlak staan. De goudgele plaatvormige linten van de buitenste lintbloemen kunnen tot 3 cm lang zijn. De binnenste buisbloemen, die al snel bruin kleuren, hebben een pappus van 15 tot 25 haren en op de bloembodem zijn geen stroschubben (het equivalent van schutbladeren) te vinden.

De omwindselblaadjes zijn lancetvormig of lijnlancetvormig en spits en hoogstens 3 mm breed; ze staan in twee of meer rijen en liggen dakpansgewijs aan. De buitenste omwindselblaadjes zijn minder dan half zo lang als de binnenste rij. Ze zijn groen van kleur en zacht behaard.

De vruchtjes zijn aanliggend behaard, wat met een loep goed te zien is.

De korte wortelstok heeft geen knolvormige verdikkingen, maar is wel kruipend. Er ontstaan wortelknoppen die tot nieuwe planten kunnen uitgroeien. Door de sterke waterstroming worden deze wortelknoppen meegenomen, wat het belangrijkste mechanisme tot verspreiding van de soort is.

MM_131119

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Composietenfamilie - Asteraceae
Plantengeslacht:
Alant - Inula
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.15 - 0.90 meter
Bloeiperiode:
Augustus - September
Bloemkleuren:
geel, bruin
Bloeiwijze:
hoofdje
Bloemvormen:
lintvormig, buisvormig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
5 vergroeide kroonbladen
Meeldraden:
5 vergroeid met elkaar
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
2
Vrucht:
nootje
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, behaard, gevuld
Schors:
-
Bladstand:
verspreid
Bladvormen:
lancetvormig, langwerpig
Bladranden:
getand, gaaf, zwak getand
Ondergronds delen:
rhizoom/ wortelstok
Plantengemeenschappen:

Het areaal van de Engelse alant omvat Midden-Europa en West-Azië, maar heel opvallend komt de soort niet voor in Engeland. Ze is te vinden aan oevers van rivieren en kanalen en staat ook op plekken waar in de winter nogal eens sprake is van overstroming, zoals in de uiterwaarden. Ook op kribben en tussen de stenen van basalt glooiingen tref je de plant wel aan. In Schaminée, J. et al. (2010) Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland, wordt de Engelse alant beschreven als een tamelijk zeldzame kensoort van de

12Ba1 Associatie van Geknikte vossenstaart

De plantensoort 'Engelse alant' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

De planten in Nederland blijken, zo heeft onderzoek uitgewezen, slechts weinig kiemkrachtige nootjes te produceren. Via zaad verspreidt de plant zich dan ook nauwelijks. De belangrijkste manier is via het watertransport van losgeslagen knolletjes van de worteluitlopers.

Als u geïnteresseerd bent in meer uitgebreide gegevens over de ecologie van de Engelse alant, de relaties met andere organismen en het milieu, dan vindt u dat in Weeda, E.J. et al., (1991) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 4: 53-54.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 598.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 1058.

Uitspraak (accenten) van de wetenschappelijke naam: Inula brittánnica.