Video Determinatie

Lenteklokje - Leucojum vernum

Met zijn lantaarnvormige witte bloemkronen is het Lenteklokje, Leucojum vernum, een van onze vroegst bloeiende plantensoorten. We vinden Lenteklokje meestal in de bossen van buitengoederen, maar ook wel daarbuiten op vochtige en voedselrijke plaatsen. Het is dan meestal verwilderd vanuit zo'n buitengoed. Uit de rozet met smalle lijnvormige bladeren komt de bloemstengel omhoog die meestal slechts één bloem draagt. Ze zijn goed te onderscheiden van Gewoon sneeuwklokje, dat een tweetal weken eerder bloeit dan Lenteklokje op iets drogere plekken.

Klik op een foto voor kenmerk met uitleg:
Verspreidingskaart
Ecologische parameters

Als stinzenplant is Lenteklokje, Leucojum vernum L., te vinden in de bosbegroeiing van landgoederen. De bodem moet goed vochtig en voedselrijk zijn. Het is een bolgewas uit de Narcisfamilie (of Amaryllidaceae).

Uit de ondergrondse bol van deze meerjarige plant komt een rozet van smalle bladeren te voorschijn. Uit die rozet komt een circa 20 cm hoge bloemstengel te voorschijn. Aan deze bloemstengel komen één, en enkele keer twee, klok- tot bolvormig knikkende bloemen. Hierin onderscheidt ze zich van het zeldzamere en beschermde zomerklokje (Leucojum aestivum), dat meestal meer dan twee bloemen per stengel heeft.

Lenteklokje bloeit gewoonlijk in de tweede helft van de winter, en wel zo'n twee weken later dan het Gewoon sneeuwklokje. Het is een van onze vroegst bloeiende plantensoorten.

De bloemen hebben een bloemdek, dat wil zeggen dat er nauwelijks verschil is tussen de drie kelk- en drie kroonbladen. Alleen aan de stand op de bloembodem is nog te zien dat het om 2 x 3 bladen gaat. De bloemdekbladen zijn wit en de hele bloemkroon is iets breder (2-2,5 cm) dan die van het sneeuwklokje. De bloemdekbladen verschillen van deze van het sneeuwklokje doordat ze alle zes even groot zijn. Bijna aan de top van deze witte bloemdekbladen is een geel tot groene vlek te zien die de vorm heeft van een halve maan. De bloemen geuren, maar door de erg vroege bloei trekken ze maar weinig insecten aan die voor bestuiving en bevruchting kunnen zorgen. Mocht het tot bestuiving komen dan ontwikkelt zich een doosvrucht. Aan de zaden uit de doosvrucht zit een aanhangsel wat er op duidt dat ze door mieren verspreid worden.

MM_120228

Laatste wijziging 130610

Hoofdgroep:
Plantenfamilie:
Narcisfamilie - Amaryllidaceae
Plantengeslacht:
Narcisklokje - Leucojum
Plantvorm:
kruid
Plantgrootte:
0.10 - 0.30 meter
Bloeiperiode:
Februari - April
Bloemkleuren:
wit, groen
Bloeiwijze:
alleenstaande bloem
Bloemvormen:
klokvormig, regelmatig
Bloemtype:
tweeslachtig
Bloembladen:
3 bloemdek (kelkbladen), 3 bloemdek (kroonbladen)
Meeldraden:
6 meeldraden
Vruchtbeginsel:
onderstandig
Stijlen:
1
Stempels:
3
Vrucht:
doosvrucht
Zaden:
-
Stengels:
rechtopstaand, glad
Schors:
-
Bladstand:
rozet
Bladvorm:
lijnvormig
Bladrand:
gaaf
Ondergronds delen:
bol
Plantengemeenschap:

Lenteklokje is inheems in de berggebieden van Midden-Europa en de aangrenzende gebieden in Zuid-Europa. Wellicht dat Twente het deel van Nederland is waar ze een natuurlijke groeiplaats had benoorden de Alpen. In België vind je haar in het Maasgebied en de zuidelijke Ardennen. Maar tegenwoordig beschouwen we Lenteklokje toch vooral als een stinzenplant die verder ook veel gekweekt wordt als tuinplant.

De plantensoort 'Lenteklokje' komt voor in de de volgende plantenassociaties:

Het Lenteklokje is een winterbloeier, maar wordt vanouds beschouwd als een voorbode van de Lente.

Nog meer informatie over de ecologie van het Lenteklokje en de relaties met andere organismen en het milieu is te vinden in Weeda, E.J. et al., (2003) Nederlandse oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 5: 8.

Het determineren op wetenschappelijke basis kan gebeuren met behulp van Meijden, R. van der (2005) Heukels' Flora van Nederland, 23ste druk: 124.

Een andere gemakkelijke determinatie is mogelijk met Heijmans, E., Heinsius, H.W. en Thijsse, Jac.P. (1983) Geïllustreerde flora van Nederland, 22ste druk: 337.

Uitspraak van de wetenschappelijke naam: Leucójum vérnum