In de Vlinderbloemfamilie komt een aantal bomen en struiken voor. De in het voorjaar, bij een zacht voorjaar soms al in de tweede helft van april, bloeiende Brem, Cýtisus scopárius (l.) Link, is zo'n bezemvormige struik. De soort is niet geheel vorstbestendig en na een strenge winter zie je vaak dat de toppen van de takken zijn bevroren. de planten lopen dan van onderen vaak weer uit en er zijn dan meestal nog voldoende levende knoppen, zodat er ook bloei kan optreden, hoewel minder uitbundig dan in jaren dat er sprake is van een zachte winter. Zijn er veel zachte winters na elkaar, dan zie je de struiken steeds verder uitgroeien. Vorst is een probaat snoeimiddel voor de Brem.

De takken en vijfkantige twijgen van de Brem blijven donkergroen van kleur, zijn taai en onbehaard; als de planten wat ouder worden, vormen ze op de diepe penwortel een stammetje van hard hout dat bruin van kleur is. Aan de korte twijgen komen in de lente drietallige gesteelde bladeren. Deze zijn van onderen zijde-achtig behaard, maar vallen ook al weer snel af. Na de bloei komen er aan de lange twijgen langwerpige zittende en soms schubvormige bladeren. Steunblaadjes ontbreken.

Leer meer over de Brem